Onze bubbel plicht.

Dit weekend zag ik samen met een vriendin, op het IDFA de documentaire van Michel Toesca, To the Four winds. De film gaat over een Franse boer in de Roya-vallei, een Italiaans-Frans grensgebied, dat tussen 2015 en 2017 overspoeld wordt door vluchtelingen en arbeidsmigranten die naar Frankrijk wilden reizen om er asiel aan te vragen. Cédric Herrou, een lokale boer, besluit hen tijdens de vluchtelingencrisis op te vangen en de grens over te helpen. Hij trommelt vrijwilligers op en bindt de strijd aan met lokale autoriteiten die migranten proberen te weren.

Achteraf kregen we een interessante discussie. Ik vond de eenvoud waarmee deze boer doet wat er gedaan moet worden bijzonder en indrukwekkend. Hij ging volgens mij naar de kern: er kloppen mensen aan voor hulp, en die help je. Of het er nou acht zijn, waarmee het begon, of tweehonderd, waarmee het eindigt. Hij wordt een aantal keren aangeklaagd. De laatste rechtszaak wint hij uiteindelijk door een beroep te doen op ‘fraternité’, broederschap, in de Franse grondwet. Mooi en terecht, vond ik.

Mijn vriendin was sceptischer. Wat wordt er niet getoond, vroeg zij zich af. Vervolgens raakten we in een discussie die zich verplaatste naar onze wereld, de welgestelde, hoogopgeleide bubbel waar wij in zitten. Zij vond dat ze geen recht van spreken heeft, want ze doet zelf niks. Ik coach af en toe een Syrische vrouw richting werk, maar ook dat voelt niet genoeg.

Al pratend, dacht ik hardop, als we dan toch zo’n afstand hebben vanuit onze comfortabele bubbel, is het dan aan ons om een genuanceerdere visie mee te ontwikkelen op het migranten vraagstuk. Dat we andere taal ontwikkelen, verder kijken, dieper doordenken, verrassende vragen stellen. Tegengeluiden laten horen in het uitglijdende debat. Waarin het niet meer normaal is, om iemand, ook al zijn het er velen, die op de deur kloppen, binnen te laten. 

Eigenlijk ging ons gesprek over bevoorrecht zijn en wat dat betekent. Ik denk aan hoe de adel vroeger zei ‘adel verplicht’. Tot wat verplicht bevoorrecht zijn ons? Of is dit een slimme truc om het ongemak van bevoorrecht zijn te vermijden? Nu ik dit schrijf, twijfel ik ook weer. Wat is onze taak. Is het niet arrogant om over ‘onze taak’ te spreken? Ga ik daar al niet de mist in?

Wat denk jij?